De ruggengraat

Vragen stellen en luisteren zijn de ruggengraat van de methodiek en werkt als een recept als voor het koken van een lekkere maaltijd, is dit dus geval als het voeren van een goed gesprek.

Je volgt het recept en stopt niet zomaar nieuwe ingrediënten in de pan — je proeft eerst wat er al is en wat erbij kan.  Je gebruikt je bij het goede gesprek je zintuigen zodat je in kunt spelen op

  • wat ontbreekt (welke vraag passend is),

  • wat teveel is (wanneer juist níet ingrijpen wijs is),

  • en wanneer het juiste moment is om iets toe te voegen (een interventie of volgende vraag).

Als je te veel “kruidt”, wordt het gesprek grimmig of vooringenomen; kruid je te weinig of niet, dan blijft het oppervlakkig. Door eerst te proeven ontstaat ruimte om precies te kiezen welke vraag je stelt, wanneer en waarom. Hieronder wordt de ruggengraat in de vorm van de twaalf vragen uitgewerkt.

interventie en het goede gesprek

De twaalf vragen van de methodiek

De twaalf vragen vormen de ruggengraat van de aanspreekcirkel. Door deze vragen in de juiste volgorde op het juiste moment te stellen en daarbij echt naar elkaar te luisteren ontstaat het goede gesprek als vanzelf.

Uitspreken

Naar wie en bij wie spreek je je uit? In welke situatie en onder welke omstandigheden spreek je je uit? Ben je een introvert of een extravert type? Je uitspreken vraagt 'moed' of als je meer een 'flap uit' bent 'rust'. en voor de vraagsteller geduld om met aandacht te luisteren

Je spreekt je uit omdat je gesprekspartner een passende vraag stelt. En als die dat niet doet? Gebruik dan de methodiek om de regie over het gesprek te voeren. Zie hiervoor o.a. de interventies bij techniek

vraag 1: Wat speelt er nu?

Als initiatiefnemer wil je weten wat er aan de hand is: de situatie, aanleiding of reden van het gesprek. Je bent oprecht benieuwd naar het verhaal van de ander.

  • Valkuil: meteen zeggen wat jij vindt of wilt, waardoor de ander geen ruimte krijgt.

  • Doel: de ander laten uitspreken en zelf echt luisteren.

  • Varianten: Wat is er aan de hand?Wat zie je?Wat gebeurt er?

  • Note: Tijdnood is een veelgehoorde reden om meteen te zeggen wat je vindt. Daardoor lijkt het gesprek sneller, maar vaak duurt het juist langer. De tijd die je aan goed doorvragen besteedt, verdien je later in het gesprek moeiteloos terug vertrouw daarop.

vraag 2: Wat bedoel je precies?

Je wilt weten wat iemand met een woord of opmerking écht bedoelt. Zo voorkom je aannames, blijven woorden niet zweven en voelt de ander zich gezien en gehoord.

  • Valkuil: onvoldoende luisteren (verbaal en non-verbaal) waardoor je signalen mist om door te vragen.

  • Doel: begrijpen wat er bij de ander speelt door goed te luisteren en door te vragen.

  • Varianten: Wat zeg je eigenlijk?Vertel eens wat meer.Wat raakt je? 
  • Note: Je kunt hier ook kort samenvatten wat er gezegd is en checken of dat klopt. Blijft iets onduidelijk, dan kun je met zorg en zonder in te vullen voor de ander een suggestie doen om het gesprek verder te helpen.

vraag 3: Hoe is dit voor jou?

Je vraagt hoe het gesprek voor de ander is, zodat die zich gezien en gehoord voelt. In het begin gaat het vooral over de manier van praten;  de inhoud en de mens en emotie achter de inhoud. Maak het persoonlijk.

  • Valkuil: deze vraag overslaan en dus kans op check en verbinding (en weer even ruimte geven)

  • Doel: bevestigen en checken hoe het gesprek verloopt en wat er speelt.

  • Varianten: Wat doet dit met je?Hoe ervaar je het gesprek?Hoe kijk je ernaar?

  • Note: Naarmate je de methode samen beter beheerst, wordt deze vraag vanzelfsprekender — blijf wel alert op verbale en non-verbale signalen.

Bespreken

Het bespreken van wat je vindt en wilt is een wisselwerking: de één spreekt, de ander luistert zonder aannames of snelle oordelen over en weer. Zo ontstaat begrip voor de keuzes die gemaakt worden en wordt duidelijk of er wel of geen commitment is.

Doet de ander geen moeite om rekening te houden — bijvoorbeeld door macht in te zetten — dan kun je benoemen wat dat met je doet: “Ik voel me niet serieus genomen.”

 

Vraag 4: Wat vind je ervan?

Je bespreekt wat jij vindt van de situatie en wat er zou moeten gebeuren en de ander doet dat ook. Je houdt rekening met wat er bij de ander speelt

  • Valkuil: alleen één persoon (of enkelen) zeggen wat ze vinden.

  • Doel: rekening houden met wat er bij de ander speelt terwijl jij je zegt wat je ervan vindt en over en weer

  • Varianten: Wat is jouw mening hierover?Hoe kijk jij ertegenaan?

  • Note: Wordt het onduidelijk of verwarrend? Ga terug naar de uitspreekfase. Dat kost tijd, maar helpt bij het maken van heldere afspraken.

vraag 5: Wat wil je graag?

Je bespreekt wat je graag wilt bereiken, gegeven de situatie en wat je ervan vindt, over en weer, ook als iets misschien niet haalbaar is.

  • Valkuil: alleen standpunten herhalen in plaats van zeggen wat voor jou echt belangrijk is, wat je echt wilt.

  • Doel: duidelijk maken wat je wilt en wat de ander wil.

  • Varianten: Wat is voor jou belangrijk(urgent)?Wat zijn jouw wensen?

  • Note: Wat je wilt, is niet altijd realiseerbaar, maar het bespreken maakt het duidelijk. Ook bij verplichtingen of regels kun je aangeven wat je zou willen ook al is het niet haalbaar

 
 

 

vraag 6: Hoe zit je erin?

Je deelt belangen en zoekt samen commitment voor het vervolg en de te maken afspraken. In een open gesprek peil en beïnvloed je elkaar: accepteren en doorgaan, of escaleren en de consequenties accepteren.

  • Valkuil: commitment blijft vaag en zonder gevolgen en of oeverloos om de hete brij draaien

  • Doel: samen komen tot een gedragen besluit als basis voor afspraken.

  • Varianten: Waar kies je voor?Waar zit je op dit moment?Hoe sta je erin?

  • Note: Ontstaat verwarring of geen commitment? Ga terug naar uitspreken. Bijvoorbeeld: “Wat maakt dat je geen commitment kunt geven? 

Afspreken

Je maakt passende afspraken omdat je samen iets wilt bereiken én omdat je met elkaar begaan bent. Je hebt iets voor elkaar over. De kern is oprecht afwegen wat voor ieder belangrijk is, binnen ieders prioriteiten en grenzen, ook al is het niet zoals jij het wilt en vindt.

vraag 7: Wat spreek je af?

Je werkt toe naar gedragen, haalbare afspraken waarin je stevig genoeg staat om aan te geven wat voor jou wel en niet werkt. Je gebruikt je invloed constructief.

  • Valkuil: afspraken maken ‘om er maar vanaf te zijn’.

  • Doel: afspraken creëren die haalbaar zijn en waarop je elkaar kunt aanspreken.

  • Varianten: Welke oplossingen zie je?Waar ga je voor?Wat ga je doen?

  • Note: Geen helderheid of draagvlak? Ga terug naar uitspreken en bespreken. Bijvoorbeeld: “Wat maakt dat het niet lukt om deze afspraak te maken?”

Vraag 8: Wat heb je nodig?

Werkdruk, balans, deadlines en prioriteiten bepalen vaak of afspraken haalbaar zijn. Daarom spreek je over en weer uit wat nodig is om afspraken na te komen, inclusief randvoorwaarden en realistische toezeggingen.

  • Valkuil: deze vraag te vroeg in het gesprek stellen en toezeggingen daarna niet nakomen.

  • Doel: faciliteren dat gemaakte afspraken ook echt uitgevoerd kunnen worden.

  • Varianten: Wat helpt jou hierbij? • Wat ontbreekt er nog? • Wat maakt het mogelijk?

  • Note: Wat nodig is, verschilt per persoon. Ontstaat frictie (bijv. SMART vs. te strak)? Ga terug naar uitspreken: “Wat speelt er dat dit tussen ons in staat?”

vraag 9: Hoe ga je het doen?

Je vertaalt de afspraak naar concreet gedrag: wat ga je doen, hoe ga je dat aanpakken en wanneer? Deze checkvraag bevestigt of alles helder is en onderstreept dat je het samen draagt: je bent met elkaar begaan.

  • Valkuil: niet benoemen wat nog schuurt en hopen dat het later wel goed komt.

  • Doel: zorgen dat de afspraak uitvoerbaar is en echt wordt opgepakt.

  • Varianten: Hoe zie je het voor je?Welke aanpak kies je?

  • Note: Wijkt de uitvoering later af? Spreek elkaar daarop aan en ga vandaar uit terug naar uitspreken; zo blijft de cirkel werken.

Aanspreken

Je spreekt elkaar aan op gemaakte afspraken vanuit de methodiek en meer in generiek zin op gedrag en handelen dat raakt aan gezamenlijke waarden en doelen (organisatie/maatschappij/familie. De grens tussen beide vormen is dun en vraagt om alertheid en zorgvuldigheid in het contact met elkaar. 

vraag 10: Wat kom je bij jezelf tegen?

Je reflecteert met deze vraag op gemaakte afspraken én op wat iemand leert in de samenwerking. Dit gebeurt niet in het zelfde gesprek en is de start van het volgende gesprek. Aanspreken gaat vaak vanzelf over in uitspreken: zo is de cirkel rond.

  • Valkuil: de vraag zonder inleiding stellen, waardoor deze onverwacht of onecht binnenkomt.

  • Doel: bijdragen aan het realiseren van afspraken en aan persoonlijke én teamontwikkeling.

  • Varianten: Wat ontdek je bij jezelf?  Wat merk je bij jezelf?  Wat valt je op?

  • Note: Aanspreken wordt waarderend wanneer het oprecht, eerlijk en constructief gebeurt. Het vraagt om durven uitspreken, over jezelf bloot geven over wat er bij jou van binnen speelt. 

  • Note: je kunt wel reflecteren op het gesprek zelf aan de hand van deze vraag

vraag 11: Wat zegt dit over jou?

Het goede gesprek bevat momenten van verdieping: niet alleen in wat er speelt, maar ook in wat je bij jezelf tegenkomt. Deze vraag vraagt oefening én eigen verdieping van de vraagsteller; anders voelt hij onecht.

  • Valkuil: de vraag te snel of ongepast stellen, zonder eerder zelfonderzoek.

  • Doel: bijdrage leveren aan persoonlijke ontwikkeling.

  • Varianten: Wat gebeurt er vanbinnen bij je?Welke inzichten kom je tegen?Welke overtuiging zit hierachter?

  • Note: Deze vraag kan oud zeer of vroegere ervaringen raken; stel hem alleen als er veiligheid (bij de ander) en kundigheid is bijzelf 

  • Note: Je kunt met deze vraag ook reflecteren op het gesprek zelf

Vraag 12: Hoe voelt dit voor je?

Het goede gesprek kenmerkt zich doordat mensen zich gehoord, serieus genomen, verbonden en gewaardeerd voelen. Deze vraag checkt in hoeverre dat is gelukt en zorgt weer voor ruimte om uit te spreken en te luisteren.

  • Valkuil: de vraag te vlak óf juist te zwaar/empathisch stellen.

  • Doel: nagaan hoe het gesprek is ervaren en het zorgvuldig afronden.

  • Varianten: Wat raakt je hierbij? Welke inzichten neem je mee?  Hoe zit je er nu bij?

  • Note: Zorg dat verdiepende punten niet blijven hangen zonder duiding of plek.

  • Note: Je kunt deze vraag ook stellen zonder andere verdiepingsvragen — puur gericht op het gevoerde gesprek.

Oefensheet 1 Vragen Kennen Pdf
PDF – 158,4 KB 46 downloads